Polymeren worden zo genoemd als deze minder wegen dan 1 gram per 10 kilometer lengte. Dat is ongelooflijk licht. De meeste polymeren hebben een diameter kleiner dan 0,012 mm, zo'n tien keer dunner dan een menselijk haar.
De synthetische vezels bestaan uit polymeren, lange ketens aaneengeschakelde moleculen, vergelijkbaar met een kralenketting. De draad waaruit de polymeren ontstaan, bestaat voor 70% uit polyester. De rest is polyamide, beter bekend als nylon.
Van de vezels worden op verschillende manieren doeken gemaakt. Er bestaan non-woven, geweven en gebreide doeken. De gebreide doeken zijn rekbaar en daarom in het gebruik het prettigst omdat ze makkelijk zijn uit te wringen. Maar de gewoven doeken zijn goedkoper.
Polymeren worden van elkaar gescheiden en dit splitsen kan op verschillende manieren: mechanisch door de vezel of de doek te strekken of deze met een krachtige waterstraal te bewerken, of chemisch door één van de polymeren op te lossen, of door de vezel in een chemisch bad te laten zwellen waardoor deze openbarst.
De van oorsprong ronde vezel valt uiteen in een stervormige kern van polyamide, omgeven door wigvormige polyestervezels. Een dwarsdoorsnede van de vezel is te vergelijken met een ster, geknipt uit een cirkel van papier. De driehoekige papiersnippers die overblijven, stellen de polyestervezel voor. Het polyesterdeel vormt de echte vezel, maar de stervormige polyamidekern heeft wel degelijk een functie. Olie en vet hechten gemakkelijk aan polyamide. Bij een gewone doek is zeep nodig om datzelfde effect te bereiken.